Luchtdruk

Luchtdruk

Luchtdruk is de kracht die de massa van de atmosfeer per oppervlakte-eenheid op de aarde uitoefent. Boven elke plek torent een kolom lucht die door de zwaartekracht naar beneden drukt. Hoe hoger je komt, hoe minder lucht er nog boven je zit en hoe lager de luchtdruk wordt. Verschillen in luchtdruk tussen plaatsen zijn de motor achter wind en de bewegingen van hoge- en lagedrukgebieden.

Hoe wordt luchtdruk gemeten?

Luchtdruk wordt gemeten met een barometer en uitgedrukt in hectopascal (hPa). De gemiddelde luchtdruk op zeeniveau bedraagt ongeveer 1013 hPa. Waarden boven dit gemiddelde wijzen vaak op een hogedrukgebied, lagere waarden op een lagedrukgebied.

Omdat de druk afneemt met de hoogte, herrekenen weerstations hun metingen naar zeeniveau. Zo blijven waarden van verschillende plaatsen onderling vergelijkbaar op de weerkaart.

Waarom is luchtdruk belangrijk voor het weer?

Lucht stroomt altijd van hoge naar lage druk en wekt zo wind op. Hoe groter het drukverschil over een afstand, hoe harder het waait. Op weerkaarten worden plaatsen met gelijke druk verbonden door isobaren; dicht opeen liggende isobaren betekenen veel wind.

Een dalende luchtdruk kondigt vaak naderende neerslag en wind aan, terwijl een stijgende druk meestal opklaringen en rustiger weer brengt. KNMI en KMI gebruiken luchtdrukpatronen als basis voor hun verwachtingen.

Verwante begrippen

Bekijk de actuele 14-daagse weersverwachting voor jouw stad, of ga terug naar het overzicht van weerbegrippen.

Veelgestelde vragen

Veelgestelde vragen over luchtdruk

Wat is luchtdruk?
Luchtdruk is het gewicht van de luchtkolom boven een plek, uitgeoefend op het aardoppervlak. Hij wordt gemeten in hectopascal (hPa) en bedraagt gemiddeld zo'n 1013 hPa op zeeniveau.
Wat is een normale luchtdruk?
De standaard luchtdruk op zeeniveau is 1013,25 hPa. In de praktijk schommelt de waarde in onze streken meestal tussen ongeveer 990 en 1040 hPa, afhankelijk van het weertype.
Waarom daalt de luchtdruk als het gaat regenen?
Neerslag hangt vaak samen met lagedrukgebieden, waarin lucht opstijgt, afkoelt en wolken vormt. Een dalende barometer wijst daarom doorgaans op naderende buien of een front.